Fietsvakantie verhaal 100 cols tocht deel 1

Dag 4 : Bosweggetjes en nog meer cols

We stonden op, en wilden net vertrekken zonder te betalen toen er iemand het terrein van de camping op kwam rijden. Het was een ventje wat daar het gras moest maaien. Ik vroeg of ie van de receptie was. Dat was hij niet. Er zou iemand van de receptie komen over vijf minuten. Dat was gelukkig ook zo. Als dat ventje er niet was geweest waren we gewoon weg gegaan, maar nu er toch iemand van de camping was voordat we weg wilden konden we er niet onderuit.

De zon scheen toen we opstonden. Daarom dachten we dat het al vrij laat was. Op het moment dat we wilden vertrekken was het pas acht uur. Het vrouwtje van de receptie zei dat het vandaag beter weer zou zijn dan gisteren en dat het morgen mooi weer werd. Dat hadden we al eerder gehoord.

Nadat we eerst nog een kwartier hadden afgedaald en een koude pizza hadden gegeten van de bakker stond de col de Dondon op het lijstje. Het zou een makkelijke klim worden, want hij had maar een index van 1.9. Dat viel nogal tegen. De index wordt berekend door de hoogte in het kwadraat te delen door de lengte, maar deze col was heel lang. Het hoogteverschil was 500 meter. Er leek geen eind aan te komen. Eerst was er een stuk van een kilometer of acht waarbij we langs een riviertje de berg omhoog fietsten, dat was dus niet zo steil. Daarna begon het echte klimmen pas, wat minstens vijf steile kilometers waren. De afdaling duurde niet lang, want de volgende col begon meteen weer.

Een mooi uitzicht op een grijze dag
Een mooi uitzicht op een grijze dag

De eindeloze col de Dondon
De eindeloze col de Dondon



Tegen het eind van de vakantie hadden we een theorie bedacht van hoe de route opgesteld was: begin onderaan een berg, ga omhoog tot de top via de langste of moeilijkste weg, zoek de steilst mogelijke afdaling, zodat je daarmee geen kilometers kunt maken, zodra er een weg is die omhoog gaat, sla die weg in. Het is ook vaak gebeurd dat we niet eens op de routebeschrijving hoefden te kijken waar we heen moesten, omdat het zo voorspelbaar was. Een paar keer bijvoorbeeld kwamen we bovenop een col aan, maar liep er nog een ander weggetje vanaf de col verder omhoog. De makers van de route laten die kans natuurlijk niet liggen, dus als je denkt dat je er eindelijk bent kun je nog verder klimmen.

Een deel van de route van de dag liep ook over ‘routes forestières’ Dat zijn weggetjes door de bossen waar eigenlijk geen verkeer komt en waar ook bijna geen borden bij staan waar ze heen gaan, alleen de naam van de route. Die weggetjes waren wel allemaal erg mooi.

Wat wel opviel is dat de fransen veel in de bossen bezig zijn. Ze lijken ook een soort ideaalbeeld van een stuk bos te hebben. Het ziet er dan als volgt uit: In het bos staan er loofbomen, op ongeveer 10 meter uit elkaar, maar wel willekeurig verspreid. De ondergrond bestaat uit een dun laagje gevallen bladeren en klimop. Tussen de bomen liggen nette stapeltjes van ongeveer een meter hoog en drie meter lang van gespleten boomstammen, die aan de uiteinde bij elkaar worden gehouden door twee stokken die in de grond zijn geslagen. De manier waarop aan dat ideaalbeeld wordt gewerkt is doordat willekeurige fransen hun auto in de berm parkeren en dan in de bossen verdwijnen om daar iets te gaan doen. Uiteindelijk worden al die boomstammen dan opgestookt op de boerderijen.

Mijn shirt stonk na twee dagen meer naar de rook van al die houtvuurtjes in Frankrijk dan naar het zweet.

’s Avonds kwamen we in het plaatsje Fontenoy-le-Chateau aan, daar zou een camping zijn. De borden wezen ons uit het dorpje, tegen een helling omhoog. Ik had echt geen zin meer om nog meer te klimmen. Toen we de camping opreden zagen we alleen maar Nederlandse kentekens. Dat kon een goed of een slecht teken zijn. De campings met alleen maar Nederlanders in Frankrijk zijn óf van die campings waar tot 3 uur ‘s nachts André Hazes te horen is, óf het zijn gewoon fatsoenlijke campings met betere voorzieningen dan die fransen allemaal gewend zijn.

Bij de receptie vroeg is ‘une place pour une nuit, of kan dat ook in ’t nederlands hier?” . Dat kon dus ook in ’t nederlands. We werden nog gefeliciteerd, maar waarmee zouden we absoluut niet weten. Nadat we allebei drie keer hadden geprobeerd te raden waarmee bleek dat die mevrouw met die afgeschoten kraai op d’r hoofd vandaag weer aan het koekhappen en klompendansen geslagen was.

Het zou de volgende dag een feestdag zijn in heel Frankrijk (zie het verhaal van Zuid-Frankrijk), zei de bazin van de camping, dus of we extra brood wilden bestellen voor morgenvroeg. We bestelden maar twee pain de campagne, dan zouden we een klein voorraadje hebben om de dag door te komen.

We hadden ongeveer elke dag van half 9 tot half 9 gefietst. In die tijd stonden we dan volgens Bram’s kilometerteller tussen de twee en drie uur stil om op de kaart te kijken, boodschappen te doen en te eten. Dat was dus best vermoeiend. Nadat we deze keer gedouched hadden _zonder_ muntjes, wat die bazin van de camping ook altijd slecht vond, gingen we nog even in het barretje zitten wat bij de camping hoorde. De douches waren een van de beste douches die we ooit gehad hebben op een camping. Je kon onbeperkt douchen, zonder te betalen, je kon de temperatuur regelen, je hoefde geen knop in te drukken en het douchehok was verwarmd.

In het barretje vielen we bijna in slaap van de sfeer die er hing. Niet dat dat negatief was, maar het was echt franser dan frans en de beste omschrijving is dat je er helemaal loom van werd. Aan de bar zaten wat fransen rustig borreltjes te drinken, iemand zat in een hoekje te lezen. Er zaten nog twee mannen uit Nederland aan een tafeltje. De muziek was van die pianomuziek, maar dan ongeveer met één toetsaanslag in de halve minuut. We dronken een grimbergen en konden onze ogen nog net openhouden. Een van de Nederlandse mannen begon met ons te praten. Hij dacht, ik zal ’s een wilde gok doen en vroeg: “hoe ver hebben jullie gefietst vandaag? Wel 50 kilometer zeker?”. We zeiden dat we er 160 hadden gefietst. Dat had ie niet echt verwacht. Hij zei tegen de andere dat ie 20 kilometer al veel vond. Toen de grimbergen op was kropen we in onze tent.

Ohja, ’t zou morgen beter weer worden hadden ze gezegd.

Afstand : 164.10