Fietsvakantie verhaal 100 cols tocht deel 2

Dag 17 : Een paar stortregens


's Ochtends was het gelukkig even droog. We gingen in het dorpje naar het postkantoor om te pinnen. Daar bleek dat je alleen kon pinnen als je een rekening had bij de post. Daar hadden we dus ook niks aan. In het dorpje 15 kilometer verderop was wel een pinautomaat, dat was maar een kwartier rijden, volgens het vrouwtje achter de balie. Ja, wel met de auto. Op de fiets is het anderhalf uur om op en neer te fietsen.

We hadden dus nog geen geld om eten te kopen. Alles bij elkaar hadden we nog ongeveer twee euro in losgeld in onze portemonnee zitten. Daarmee konden we nog twee stokbroden kopen. Net voordat we het dorpje uit waren gingen we op een steen zitten tegen een muurtje om te gaan eten. Opeens kwam er iemand uit het huis bij het grasveldje gelopen. Ze keek wel raar. Volgensmij zaten we in de tuin die bij het huisje hoorde, maar we deden net alsof we dat niet doorhadden. Later deed iemand een klapraam van het huisje open, en die keek ook raar naar buiten dat wij daar zo zaten.

Het eerste stuk fietsen was fijn. We begonnen meteen met een afdaling. Daarna kwam een steile klim. De wolken werden steeds donkerder boven ons. In de afdaling begon het opeens te stortregenen. Je zag niet veel, we werden helemaal doorweekt, het was ijskoud en op de weg lagen ook nog eens in een bocht een hoop stenen die van de berg af waren gevallen. Dat was dus de ergste afdaling van de hele vakantie.

[Bløf - Harder Dan Ik Hebben Kan]
"Het regent harder dan de grond aankan, Harder dan ik hebben kan"


Na die afdaling kwam wéér een klim en daarna een afdaling. Het was weer even droog. Omdat we zelf nog helemaal nat waren was de afdaling wel koud. In st.Jean du Gard wilden we eten gaan halen. Bram ging vroeger altijd op vakantie in een dorpje wat daar vlakbij lag, dus hij wist meteen een pinautomaat en een winkel te vinden. In het dorpje was meer dan de helft van de mensen Nederlands. Er stond een wachtrij voor de pinautomaat want het was daar overdekt. Iedereen die ging schuilen voor de regen ging ook meteen pinnen.

We waren helemaal doorweekt en in de winkel was het lekker gekoeld. Daardoor kregen we het nog kouder. Elke keer als we langs de zuivelafdeling of een andere koeling moesten liepen we wel een stukje om omdat het anders te koud was. Ze verkochten in de winkel ook gebraden kippen, die nog warm waren. Nadat we eerst een tijdje bij de warme bak waar die in lagen hadden gestaan om ons een beetje op te warmen namen we die ook één mee.

Buiten was het veel warmer dan in de winkel. Eerst zaten we op een bankje. Toen het begon te regenen zijn we op een ander bankje onder een boom gaat zitten. Dat was tegenover de pinautomaat. De meeste mensen keken wel raar dat we daar zo'n hele kip op zaten te eten. Toen begon het nog harder te regenen en zijn we nog even onder het afdak gaan staan.

Na nog een côte werd de route weer wat vlakker. We zaten in het dal van de Rôhne. In een park gingen we weer onder een boom zitten te eten. Er waren ook een hoop Fransen die jeu des boules aan het spelen waren. Net voordat we wilden vertrekken begon het al weer voor de derde keer die dag keihard te regenen. Bram had in de afgelopen week een theorie opgesteld. Hoe slechter we het hier hadden des te beter zou het nieuws van het thuisfront zijn. Met al die regen vandaag had hij al drie keer een berichtje gehad. Hij zei "m'n theorie staat nog steeds overeind.". Ik zei "ja, dat geloof ik best na drie berichten".

Het was nog 30 kilometer tot de camping. De lucht was mooi. Je zag precies waar het front met wolken lag waar het regende. De weg was ook vlak, dus het schoot goed op.

Op de camping stond met pijlen aangegeven waar de receptie was. We volgden een pijl die richting een paadje wees waar een verkeersbord met een inrijverbod bijstond. Het leek ons al raar, maar het bordje wees toch echt die kant in. Toen we een stukje het paadje in waren gereden werden we opeens geroepen door iemand. Hij gaf één of andere oerkreet. Het was een man met lang wit krullend haar. Wij vonden het maar een raar figuur. Hij zou wel bedoelen dat we de verkeerde kant op reden. Even later vonden we de receptie.

Onze fietsen zetten we tegen een muurtje. We hadden al gezien dat er nog twee andere mensen op een veldje vlakbij stonden die ook op fietsvakantie waren. Ik hoorde dat de ene zei "hee, de honderd cols tocht". Ik dacht, hoe weet hij dat nou. Ik had mijn jack namelijk over mijn fietsshirt van de 100 cols tocht aangedaan. Maar dat jack stond een stukje open. Aan dat kleine stukje had hij al herkend dat het dat t-shirt was. Ze vroegen of we het shirt al verdiend hadden. Nee, we waren nog bezig met de tocht.

Eindelijk bij de receptie aangekomen bleek vent met lang wit haar de baas van de camping te zijn. De camping was wel een dure, 19 euro. Eigenlijk was er geen plaatst meer. Er was nog een stukje vrij waar we konden gaan staan. Ik zei dat dat niet zo erg was. Uiteindelijk bleek het toch wel een beetje erg te zijn. Op het plekje was geen vlak stuk te vinden. Na een kwartier kijken hadden we dan toch de optimale positie voor onze tent en bivakzak bepaald. Er zaten heel erg veel rode torretjes. 's Ochtends zaten op Bram's bivakzak aan de onderkant wel een stuk of vijf geplette torren.

Onderweg naar de douche kwamen we weer langs de mensen die ook op fietsvakantie waren. Ze bleken zelf ook de 100 cols toch te fietsen. Het was een gepensioneerd echtpaar. We hoorden aan elkaars accent dat we bij elkaar uit de buurt kwamen. Ze kwamen uit Beek en Donk. Ze deden 12 weken over de hele tocht en ze begonnen in Nederland. We hadden het nog over waar de routebeschrijving onduidelijk was, wat de zwaarste bergen waren en dat ze ook bij een camping muncipal aangefietst waren zonder te betalen. Toen kwam er een vrouwtje aan, dat gehoord had dat we over fietsvakantie aan het praten waren. Ze was zelf de 'groene weg' van de FIS aan het fietsen van Zuid naar Noord. Ze had ook nog in de Andes gewoond en gefietst.

We vertelden dat we de volgende dag eerst 90 kilometer wilden fietsen en daarna nog de Mont Ventoux over zouden fietsen. Dat moesten we eigenlijk wel. Anders haalden we het niet meer om op tijd bij een treinstation te zijn. De andere twee honderd cols fietsers dachten niet dat we dat zouden halen. Dat was natuurlijk alleen maar beter voor ons. Ze vroegen hoe vroeg we dan zouden vertrekken. Zelf hadden ze de wekker om half 6 gezet. Ze zouden tot Bedoin fietsen, het dorpje voor de Ventoux. Toen we zeiden dat we rond een uur of 11 echt aan zouden fietsen waren ze wel verbaasd. Ze zeiden dat het huisje op de top van de Ventoux om half 9 dichtging, en dat we dan heel erg door zouden moeten fietsen. Als we het niet zouden halen zouden we wel op de top moeten blijven slapen. Dat leek ons niet eens zo heel erg. We hadden er wel vertrouwen in dat we op tijd zouden zijn. De anderen waren met 4 km/u de Tourmalet opgefietst. Die zouden over de Ventoux een uur of vijf doen. Als we onze best deden zouden we er zeker niet meer dan drie uur over doen. Als we dan om 5 uur 's middags 90 kilometer hadden gefietst en klaar waren met eten zouden we dan om 8 uur boven zijn.



Dagafstand : 117 km