Fietsvakantie verhaal 100 cols tocht deel 3

Dag 15 : Grand Colombier

Met een kater van de wijn werden we wakker. Gisteren was het al bittere zooi, nu hadden we er weer op een andere manier last van. Bij het bakkertje in Rumilly haalden we eten. Het was een zondag, dus we kochten extra brood voor onderweg. In de eerste klim moest ik al weer meteen naar de wc maar er was nergens een goeie plaats. Een paar bochten van de beklimming verder was en een Maria-beeldje met een grasveldje er omheen. Daar konden we onze fietsen neerzetten en een stuk de bossen in lopen. Toen we klaar waren zei ik tegen Bram "Halleluja, dat lucht op".

Tijdens het fietsen schuurde Bram z'n pedaal elke keer langs een plaatje wat zijn kettingkast op zijn plaats moest houden. We hadden al een keer geprobeerd schroeven te vinden bij een bouwmarkt om dat vast te zetten. Dat had geen nut want de schroefgaten waren niet te bereiken met een imbussleutel. Toen kreeg ik een goeie ingeving, we zouden het ook gewoon vast kunnen tapen met ducktape. Nou was Bram z'n Idworks ook gerepareerd met ducktape. De afdaling van die klim was een aparte. Hij was heel erg steil, waardoor je binnen een paar seconden super hard ging. Er lag ook veel rotzooi op de weg. Verder zat er elke honderd meter een haarspeldbocht in.

Het was een warme dag. Omdat het veel vlakker was was de route moeilijker te volgen. In de Alpen en de Pyreneeën kun je gewoon van de ene naar de andere berg rijden. Nu moest je in elk dorpje drie keer afslaan. Vlak voor de Grand Colombier reden we een stukje verkeerd. Het eerste deel van de Grand Colombier was heel erg steil. Het waren haarspeldbochten zonder recht stuk ertussen. In het midden kwamen een paar vlakke stukken afgewisseld met heel steile stukken. De Fransen reden daar allemaal naar boven met de auto alsof ze haast hadden. Er was helemaal niks te doen op die berg, want het was een rots midden in een vlak landschap.


Uitzicht vanaf de Grand Colombier

Terwijl ik rustig naar boven fietste en een stuk chocolade at had Bram het al helemaal gezien met die klim. Daarom ging ik hem ook nog maar een beetje kloten met allerlei verhalen, ik had nog lucht genoeg. Vantevoren had ik gedacht dat het wel mee zou vallen. Dit was gewoon een bergje wat buiten de Alpen lag. Eigenlijk zou hij wel heel zwaar moeten zijn, de index was de vierde zwaarste van heel de 100 cols tocht. We haalden een stempel in de herberg een paar kilometer van de top. Daar aten we ook een ijsje en konden we even uitrusten. Ik probeerde in het Frans te vragen of er al meer 100 cols fietsers langs waren gekomen deze week. Dat snapte ze niet. Deze keer waren we nog niemand tegengekomen onderweg. Vorig jaar in mei kwamen we Mishka en zijn vader tegen, in de zomer Piet en May.

Drie uur nadat we begonnen waren aan de klim waren we pas boven. Voor het bord van de col stond een motor geparkeerd, net als bij de Galibier. De mensen waarvan die motor was kwamen er net aan toen we het er over hadden hoe irritant dat was, nadat je helemaal omhoog gefietst was. Het bleken ook nog Nederlanders te zijn. Ze wilden zelf ook op de foto, maar de motor moest er ook mooi op staan. Daarna ging ik een foto maken van Bram. Hij zei expres duidelijk "zorg wel dat die motor d'r niet op staat hè". De mensen van de motor waren bezig met een tocht door de Alpen.


Bart bij de col


Bram bij de col

De Grand Colombier was heel hoog, er moest wel een lange afdaling komen. Eén stuk van die afdaling was heel steil. We haalden daar allebei de zeventig km/u. Daarna ging het nog een hele tijd door met dalen. Omdat het zondag was hadden we extra eten meegenomen. Dat was maar goed ook. Het was nog twaalf kilometer klimmen totdat we bij de camping waren. De klim was niet zo steil. In een uur zouden we dat ongeveer halen. Bram had heel erge honger en ik een beetje. De dorpjes waar we door kwamen hadden geen winkeltjes. Vijf kilometer voordat we in het dorpje van de camping kwamen zagen we een café/restaurant wat nog open leek te zijn. Een klein oud vrouwtje kwam naar buiten toen we voor het restaurantje aan het beslissen waren wat we gingen doen. Ik vroeg of ze nog geopend waren. Ja, ze waren open. Ze vroeg meteen of we wilden eten.

We liepen het cafeetje binnen waar verder niemand zat. Het vrouwtje zette ons aan een tafel. Terwijl ze dat deed zei ze vanalles. Wat ik er uit op kon maken was dat het restaurant niet open was op zondag maar dat we wel een bord met vlees en brood konden krijgen. Elk eten zouden we nu blij mee zijn, dus ik zei dat dat goed was.Het vrouwtje was heel zorgzaam voor ons. Ze kwam vragen waar we bleven slapen. Op de routebeschrijving wees ik het plaatsje een paar kilometer verder aan. Ze zei dat daar geen camping was. Dat ging ze eerst navragen aan de mensen die in de huiskamer zaten. Die wisten ook niks van een camping in dat dorpje. Toen zei ze dat we maar achter de kerk moesten gaan slapen. Daar had ik niet veel zin in, want ik dacht dat die camping er wel zou zijn en het was pas half negen.

In het cafeetje hingen heel veel foto's van het oude vrouwtje en de stamgasten van het café. De huiskamer van die mensen was meteen via een deur die open bleef staan vanuit het café te zien. Het vrouwtje had achterop mijn t-shirt gezien dat we de 100 cols tocht fietsten. Ik hoorde haar in de huiskamer zeggen dat ze twee jongens te eten had die 4000 kilometer aan het fietsen waren. Achter de huiskamer was de keuken. Daar zag ik het vrouwtje plakken vlees voor ons snijden met een snijmachine. Ze vroeg wat we wilden drinken. Bram had cola en ik wilde wel wat wijn. Ze vond het om één of andere reden raar dat ik wijn bestelde. Ik dacht dat ik iets verkeerd had uitgesproken omdat ze zo reageerde. Maar uiteindelijk kreeg ik toch rode wijn.

De eerste gang van ons avondeten was linzensoep. We hadden bijna geen warm eten gehad heel de vakantie dus dat was heel lekker. We kregen een schaal soep op tafel waar we allbei twee borden soep van konden pakken. Er stond ook geraspte kaas bij. Ik wist niet of die door de soep moest of op het brood wat er bij zat. Het vrouwtje zou wel raar kijken als ik die kaas in m'n soep zou gooien terwijl die eigenlijk op het brood hoorde. Ik deed het toch maar in mijn soep en het smaakte goed.

Het brood en de soep waren op toen ze aankwam met twee bordjes vleeswaren. Er lagen plakken worst en stukken paté. Die kwamen niet uit de supermarkt, dus allemaal lekker. Dat aten we op samen met het brood. Hoe later het werd en hoe meer wijn ik op had deste minder zin had ik om verder te fietsen naar de camping. De laatste gang was de kaas. Gelukkig was ik al eens vaker uit eten geweest in Frankrijk, dus ik wist dat je niet alle kaas die op de plank lag mag opeten. Anders hadden we dat vast gedaan.

We waren klaar met eten. Het vrouwtje kwam naar ons toe om nog een keer te zeggen dat we achter de kerk moesten gaan slapen. Daar had ik toen wel zin in want het was buiten al helemaal donker. Ze ging de pastoor halen, die daar in de huiskamer zat. Nadat ze hem had verteld dat wij die jongens waren die zo ver fietsten moest hij ons naar de kerk brengen. We hoefden het eten nog niet af te rekenen, morgenvroeg zou ze het ontbijt voor ons klaar hebben, daarna konden we afrekenen.

De pastoor bracht ons naar een mooi grasveldje achter de kerk. Dat was een rustig plaatsje zeiden ze, behalve dat de klokken elke half uur sloegen. We zetten snel onze spullen op want het begon te regenen.


Het veldje achter de kerk





De kerk

Dagafstand : 116 km