Fietsvakantie verhaal Alpen

Dag 13 : SloveniŽ

's Ochtends was het fijn om wakker te worden. Alles was 's nachts droog gebleven binnen in het hotel. De vloer was ook droog, je hoefde niet meteen je natte schoenen aan te trekken. 's Nachts bevroor je ook niet als je naar de wc wou.


De ramen waren nog nat, maar buiten scheen de zon.

We kregen een goed ontbijt, met ham, kaas en jam. Na het ontbijt gingen we betalen. De kamer met ontbijt kostte 70 euro. Het avondeten was 37,50. Dat vond ik erg goedkoop, zeker omdat het zo lekker was. De Italiaan die het ontbijt verzorgde rekende af met ons. Hij sprak bijna geen Engels. Op een blaadje schreef hij 107,50. Daarna streepte hij het door en zette er 100 euro neer. We kregen ook nog korting. Vergeleken met die camping van 37,50 kreeg je in het hotel honderd keer meer voor je geld.

De Italiaan ging met ons onze fietsen uit de schuur halen. Voordat we vertrokken moest ik eerst mijn remmen bijstellen. Dat lukte. De Italiaan kwam naar onze fietsen kijken, hij vroeg hoe lang we weg bleven en waar we heen fietsten. Uiteindelijk zei hij "Craaazy but beauuuuutifull".

De eerste tien kilometer hoefden we alleen af te dalen. Gisteren konden we niet veel zien door de mist, nu zagen we dat het er inderdaad erg mooi was.


Mooi uitzicht in de buurt van Sauris di Sopra.


Dit konden we gisteren niet zien door de mist.

De tunnels die in deze afdaling zaten waren de enige leuke tunnels deze vakantie. Ze waren uitgehakt in de stenen en op de grond lagen kleine keien.


De tunnel.

Na de afdaling sneden we een stuk van de route af. We misten dan wat heuvels en het was 20 kilometer korter. Het fietsen deze ochtend ging heel erg snel. De weg liep 40 kilometer lang licht bergaf. De wind hadden we in de rug en we waren goed uitgerust. Hele stukken reden we 30 km/u. We haalden zelfs een wielrenner inm die moest zijn best doen om ons bij de volgende heuvel terug in te halen. Om 12 uur hadden we al 70 kilometer gefietst. We zaten dus op een schema van ongeveer 180 kilometer die dag. Eerst nog een keer uitgebreid eten, deze keer met watermeloen.

Het volgende stuk was volgens de kaart vlak. Dat betekende dus dat er ook een bergpas van 1500 meter hoog in kon zitten. Deze keer echter hadden we geluk. Het was echt vlak. We waren nu bijna in SloveniŽ, iets waar we al een paar dagen naar uitkeken. Vanuit het noorden kwamen zware onweerswolken op ons af. In de verte hoorden we het donderen. Het was precies zo als die ene dag in de 100 cols tocht, waarin we boven op een berg in een onweersbui terecht kwamen.

De weg naar SloveniŽ was slecht aangegeven. De kaart die we hadden was 1:400 000. We kwamen dus door allemaal dorpjes die niet op de kaart stonden. Telkens fietsten we maar richting het zuid-oosten als we de weg niet wisten, dat was richting SloveniŽ en weg van het onweer. Uiteindelijk kwamen we in SloveniŽ uit!.


De Sloveense grens !

Nu waren we eindelijk in SloveniŽ maar waar we precies zaten wisten we niet. We volgden gewoon de weg waar we op zaten. Een paar dorpjes verder hadden we nog steeds geen idee op welke weg we zaten. Ik ging vragen waar op de kaart we zaten, aan een Sloveense vrouw die langs de weg stond. Ze sprak geen Duits of Engels, maakte ze duidelijk. We moesten met haar mee lopen, dan ging ze iemand halen. Aan de andere kant van de weg was haar huis. Daar haalde ze haar dochter die wel Engels sprak. Het was een knap meisje, ze was ook verlegen omdat ze niet zo goed Engels sprak.

We zaten op een plaats waar op onze kaart geen weg bestond. De dichtstbijzijnde weg die op de kaart stond liep langs een rivier. Het meisje legde uit hoe we bij de rivier konden komen. De Sloveense plaatsnamen waren allemaal moeilijk te onthouden. Bij Gonjace moesten we links. Uiteindelijk zijn we ondanks de taalproblemen en de rare plaatsnamen wel goed gefietst. Op een kaart die langs de weg stond zagen we dat we midden in een doolhof van allemaal hele kleine dorpjes zaten.

Het was daar erg mooi, met allemaal wijnvelden. De dorpjes waren erg klein, hooguit tien huizen. Ook stonden overal huizen verspreid tussen de wijnvelden. Helaas hebben we geen foto gemaakt daar, we waren te druk met het onweer voorblijven. Hier een foto van iemand anders om toch een indruk te krijgen:


Hoe de omgeving er uit zag

Toen we de rivier hadden gevonden begon het met regenen. We konden nu de weg volgen die op de kaart stond. In een dorpje zagen we een man die ook op fietsvakantie was. Na een uur wilden we wat gaan eten. Het dorpje waar we in zaten stond op de kaart. Omdat het een 1:400 000 kaart was stonden alleen grote dorpen en steden aangegeven. In ItaliŽ betekende dat wanneer het dorp op de kaart stond er minstens een supermarkt zat. In SloveniŽ waren alle dorpjes zo klein dat zelfs gehuchten groot genoeg waren om op de kaart te komen. Alleen bij het tankstation konden we iets te eten kopen.

Bij het tankstation stonden ook twee doorweekte motorrijders uit Duitsland. De man vertelde dat ze nog maar 40 kilometer moesten en dat het op de motor ook koud was in de regen. Op de fiets beweeg je nog, dus de motor zal wel kouder zijn. De man die ook op fietsvakantie was die we een uur geleden gezien hadden kwam er ook aan. Hij had een regencape om. Hij sprak bijna alleen Italiaans. Hij was ook al helemaal doorweekt. Gisteren had hij met al die regen 120 km gefietst. Nadat we de vieze kleine croissantjes met chocoladevulling van het tankstation naar binnen hadden gewerkt moesten we toch weer doorfietsen. Volgens onze lijst van campings moest een camping in de buurt zitten. Binnen in het tankstation gingen we vragen waar die zat. Het was 10 kilometer de verkeerde kant op, dan maar gewoon doorfietsen en hopen dat we een camping tegen zouden komen op de route.

Het was al 6 uur 's avonds. We moesten nog een keer de weg navragen omdat onze kaart niet helemaal klopte. De komende 20 kilometer wisten we niet helemaal zeker of we op de goede weg zaten. Het regende inmiddels al een uur of drie. Tegen 8 uur 's avonds leek het er niet meer op dat het die dag nog op zou houden met regenen. Ook zouden we geen camping meer tegenkomen. Dat werd dus zoeken naar een wildkampeerplaats, deze keer moest hij wel overdekt zijn. In een paar dorpjes had ik hooischuren zien staan, misschien konden we vragen of we daar in mochten slapen.

Nadat we een paar overdekte dingen hadden gevonden die niet goed waren zag ik op een weiland een houten hutje staan. We gingen even kijken of we daar konden slapen. De deur van het hutje stond open. Binnen was het ťťn grote rotzooi. Er lagen dekens, stoelen, laarzen, gereedschap en heel veel stof. Op tafel lagen flesjes rattengif. Het dak lekte niet en het hutje was groot genoeg om met twee man in te liggen.


Het hutje.

Eerst moesten we het wat bewoonbaarder maken. Het bankje wat er stond moest aan de kant zodat we met zijn tweeŽn konden liggen. We klopten een deken uit, zodat we daar op konden liggen in plaats van op de betonnen vloer. Uit de deken kwam een enorme wolk stof. We hadden goed nagedacht hoe we er voor moesten zorgen dat we zo min mogelijk problemen zouden krijgen als we ontdekt werden. De fietsen zetten we buiten het hutje, zodat ze die eerst zouden zien. De deur van het hutje stond open, dat zouden we zo laten. Verder hebben we binnenin zo min mogelijk verplaatst. Onze bivakzakken zouden we ook niet gebruiken, met die legerprint.


Wat een rotzooi.


Uitzicht naar buiten.

Onze natte kleren hingen we te drogen aan spijkers. Daarna gingen we lekker slapen, tot we 's nachts wakker werden door het geluid van de ratten of muizen die er rondliepen.


Lekker slapen.

Dagafstand : 169 km