Fietsvakantie verhaal Spanje

Dag 22 - Hautacam

's Ochtends konden we goed merken dat de Pyreneeen veel vochtiger zijn dan Zuid-Spanje. Alles was kletsnat van de condens. 's Nachts was het ook vrij koud geweest. Ik had heerlijk geslapen deze nacht. Dat lag er ook aan dat ik zo moe was. De zon scheen nog niet op de kampeerplaats. We deden warme kleren aan en liepen toen door het natte gras naar de weg, waar de zon wel op scheen. Door dat stukje door het gras waren mijn sokken helemaal doorweekt. Die waren twee dagen later pas opgedroogd. In de zon was het net te doen met de kou. Het ontbijt was weer niet geweldig, een stokbrood met twee man.

We zaten al vlak bij de plaats waar we weer op de bus moesten, Capvern. Deze dag zouden we door Capvern komen op weg naar Lourdes. Vlak bij Lourdes was dan een bekende berg, de Hautacam, die we deze dag op gingen fietsen. De volgende dag zouden we dan eerst in Lourdes wat gaan rondkijken. Daarna hadden we nog tot tien uur 's avonds de tijd om ongeveer veertig kilometer terug te fietsen naar Capvern, waar we op de bus moesten stappen.

De eerste tien kilometer was het heel erg koud. We waren die temperaturen van onder de 25 graden niet meer gewend. Nadat de zon goed begon te schijnen kregen we het wat warmer. Via een grote weg kwamen we uit in Lannemezan. Daar vonden we een bakker een een winkeltje wat tegelijkertijd cafe was. Deze keer waren de sinaasappels van bevredigende kwaliteit. Bij de bakker hadden we ieder een stuk cake gekocht, dachten we. Het bleek een brok van ei en meel met vruchten, maar het vulde wel goed. We aten op een muurtje bij een kerk. Het eten tijdens fietsvakantie gebeurde altijd op plaatsen die steeds minder moeite kostten om te vinden. Vorig jaar was dat ook al zo. In heb begin van de vakantie namen we elke keer de moeite om een bankje op te zoeken. Later in de vakantie was een muurtje goed genoeg. Nog later en we gingen zitten eten op de eerste de beste stoeprand.

Na Lannemezan waren we al snel in Capvern, waar de bus naar Nederland zou vertrekken. Vanaf daar reden we over de zelfde route als het begin van de heenweg. Eerst weer vijftien kilometer afdalen, fijn dat we dat de volgende dag weer konden terug klimmen. Daarna zagen we allerlei dingen die we al weer vergeten waren. Zoals het dorpje Ozon, waar we voor de tweede keer door de ozonlaag reden. En het dorpje His, waar iedereen zoveel had geschreeuwd dat ze his waren. De route was deze keer veel heuvelachtiger dan ik me herinnerde van de heenweg. Omdat het toen de eerste dag was kossten die heuvels veel minder moeite.

Het duurde een hele tijd voordat we in de grote stad Tarbes waren. Vanaf daar was het niet ver meer naar Lourdes. Voordat we de stad uit reden zagen we een supermarkt. Ik had veel honger, Bram zei dat hij nog niet veel honger had. We aten ieder zes mini Magnums, twee 'chaussons au pommes', zes voorverpakte chocoladebroodjes en twee bananen. We moesten wel lang eten, anders konden we niet genoeg van het uitzicht genieten. Na dat tussendoortje zochten we de weg naar Lourdes. Een klein stukje omfietsen verder zaten we op de vluchtstrook van een drukke weg, die wel officieel aangegeven was als fietspad.

We reden door Lourdes, richting de Hautacam. Na tien kilometer begon de klim. Langs de weg stonden bordjes die aangaven hoeveel meter we nog moesten stijgen. Ik had een theorie dat we op fietsvakantie altijd 400 meter per uur klommen op een berg. Het was half vijf, en we moesten duizend meter klimmen. Ik begon te vertellen hoe laat we dan boven zouden zijn, maar Bram geloofde het niet en die zei dat er nooit iets van klopte. Dit was een typische col voor de Pyreneeen. Hij was heel steil, met vlakkere stukken er tussendoor. Het was een redelijk smal weggetje met veel bochten er in. Bij het plannen van de laatste dagen wou Bram nog graag omfietsen door Andorra en de Hautacam op fietsen. Ik had meer zin om een dag op het terras te gaan zitten in Lourdes om uit te rusten. Maar deze dag was ik beter uitgerust dan Bram en tijdens het klimmen van de Hautacam vond ik het wel leuk. Bram die zei op een gegeven moment "je moet hier even een foto maken". Dus ik keek naar de zijkant en ik zag niet veel bijzonders. Maar hij wou perse dat ik een foto ging maken.


Ik demonstreerde de "net doen alsof je van het uitzicht staat te genieten"-tactiek.


Wat een mooi uitzicht.




Tien minuten uitrusten later fietsen we weer wat verder. Er waren veel wielrenners op deze berg. Tijdens het klimmen zweetten we ons kapot. In Spanje heb ik bijna niet gezweten omdat de lucht daar veel minder vochtig was. Na een uur fietsen gingen we in het weiland liggen. Toen ik op de gps keek zag ik dat we al vijfhonderd meter geklommen waren. Dus mijn theorie leek niet te kloppen. Dat zei Bram ook. Maar als we nu een half uur gingen uitrusten zaten we weer precies op vierhonderd meter per uur. We gingen in het weiland liggen en een beetje eten. Zelfs toen waren er mensen die naar ons zwaaiden en toeterden vanuit de auto.

Na een tijdje klommen we weer verder, op naar de Hautacam. Om de twee minuten moest een van ons een scheet laten. Het was dus het beste om niet achteraan te fietsen. Misschien lag het bij mij aan de pot mayonaise die ik de afgelopen twee dagen op had. Het moest over twee dagen wel minder worden, dan moesten we in de bus. Het laatste stuk van de klim moesten we nog een koe ontwijken die op de weg stond. Het was echt aftellen, de laatste zware kilometer van de hele fietsvakantie. Het werd steeds minder, totdat we de top bereikt hadden. De "top" bleek een parkeerplaats te zijn. Het was wel de col de Hautacam, maar er ging een weg nog verder omhoog. Op dat moment wisten we nog niet dat we al op de Hautacam waren. Ik keek hoe laat het was. Het was vijf minuten voor zeven. Dat betekende dat we ongeveer precies 400 meter per uur hadden geklommen de laatste twee en een half uur. De weg tot de echte top was 1,2 kilometer lang klimmen, nog honderd meter hoger. Daar kwamen we bij de col de Tramassel. Hier stond een berghutje waar een cafe in zat. Dit vonden we wel een echte col.


Uitzicht vanuit het cafe.

Bij het cafeetje gingen we even wat drinken. Op het terras kwamen na een tijdje twee Spanjaarden te zitten. We raakten wat aan de praat, half in het Spaans, half in het Frans. De ene man fietste zelf ook veel. Hij had een paar jaar geleden vier keer de Hautacam op gefietst. Toen hij zijn korte broek omhoog deed snapten we dat hij veel fietste. Er liep een precies rechte lijn over zijn boven been. Onder die lijn was hij super bruin, er boven wit. Toen we vertelden dat we over de Pico Veleta gefietst waren kende hij de berg. De andere man kwam naar onze fietsen kijken en vond de remmen wel heel interessant.

Na het klimmen daalden we de zelfde weg weer terug. Onderweg maakte Bram de foto's.


Col de Tramassel




Bij de Hautacam was op het wegdek het logo van de Tour de France geschilderd.


Hautacam.

De afdaling was het zelfde als de beklimming, dus een smal en steil weggetje. Dit was de eerste afdaling deze vakantie waarbij je echt goed op moest letten en op tijd moest remmen. Wel een stuk leuker dan de andere. Tijdens het dalen werd ik gestoken door een soort rode vliegende mier. Hij stak precies waar mijn korte broek ophield in mijn been. Bram die had minder geluk. Bij hem was een mier in zijn broek gevlogen, en die had ook gestoken. Nou kon hij helemaal niet meer op zijn zadel zitten.

Het dichtsbijzijnde dorp was Argeles-Gazost. Daar kwamen we nu achter. Argeles-Gazost was ook een opstapplaats van de bus die we de volgende dag moesten hebben. Dus de volgende dag zouden we vijftig kilometer fietsen naar Capvern, zodat de bus die eerst in Argeles-Gazost mensen op ging halen waarschijnlijk speciaal voor ons om moest rijden naar Capvern. Op de weg van Lourdes naar de Hautacam hadden we al een paar campings gezien. In mijn gps stonden ook nog een hoop campings aangegeven. Bij Argeles-Gazost wilden we eerst naar de supermarkt, maar die was al dicht omdat het net acht uur was geweest. In Spanje kun je tenminste tot negen uur naar de winkel. Bram die wou weer uit Argeles fietsen, naar een camping die aangegeven stond. We hadden alleen nog geen eten dus we moesten eerst naar het centrum.


Ik kon nog lachen.

We reden door Argeles-Gazost, het centrum konden we niet vinden. Al gauw kwamen we bij een andere camping aan. Die bleek veel te duur te zijn. Bovendien stond er een bord dat hij vol zat. Dan maar verder. Na twee kilometer vonden we een pizza-restaurant en een camping. Het slimste was eerst eten, die camping konden we altijd nog op. We gingen naar binnen en bestelde de beste pizza-uitvinding ooit, pizza met kebap. Voor de bestelling moest ik mijn naam opgeven. Na drie pogingen stond er, na 'Baft' en 'Barte', 'Bart' op het blaadje. We gingen buiten zitten wachten. Het was een soort fastfood-pizzatent. Je moest zelf je bestek pakken en je borden terug zetten. Na een kwartier riepen ze om dat de bestelling voor Bart klaar was. Dat terwijl er maar aan drie andere tafels mensen zaten. De pizzas smaakten heel goed. Na het eten gingen we naar de camping. Er zaten er twee naast elkaar. We kozen de camping die het goedkoopste maar toch het beste leek. De man van de camping zei meteen toen we aankwamen dat ze vol zaten. De camping er naast zat ook vol volgens hem. Dat was dan al drie uit drie. Hij ging helemaal uitleggen dat er nog een kleine camping zat tien kilometer richting het zuiden. Wij moesten naar het noorden, terug naar Lourdes.

We reden over het fietspad richting Lourdes naar drie andere campings een paar kilometer verderop. Er was weer een brug in de rivier volgens de gps, die er in het echt niet was, dus konden we daar alleen nog met een omweg komen. Toevallig waren we wel in de buurt van het dorpje waar de camping zat waar Bram in het begin heen wou. We reden door het dorp, maar konden nergens een camping vinden. Het werd al schemerig. Waren we eindelijk in een gebied met veel campings, konden we de ene helft niet vinden en de andere helft was vol. Dus we besloten maar om te gaan wildkamperen. Het slechtste daaraan was dat we dan na twee dagen wildkamperen twintig uur in de bus moesten zitten. Voor ons was dat nog geen ramp, voor de andere passagiers zou dat wel minder leuk zijn.

Eerst vonden we een goed weiland naast het fietspad. Daar konden we nergens uit het zicht staan. Daarna gingen we een pad in om achter een maisveld te gaan staan. Dat was een hele goede plek waar zeker niemand ons zou zien. Toen we net wilden gaan slapen hoorden we in de bossen twintig meter verder wilde dieren, waarschijnlijk wilde zwijnen. Hopelijk zouden die ons 's nachts met rust laten. Toen we bijna lagen te slapen hoorde ik wel een beest snuiven op minder dan tien meter afstand van mijn tent.


De kampeerplaats in het donker.

Die nacht was het niet koud. Ik had best goed geslapen.

Dagafstand : 161.93


De route van dag 22.