Fietsvakantie verhaal Spanje

Dag 5 - Puerto de Navacerrada

's Nachts had Bram ook rare vogels horen fluiten. Verder hadden we allebei redelijk geslapen. We begonnen te fietsen met een lange broek aan. Na een half uur was dat al te heet.

's Ochends schoot het fietsen wel op. We konden alleen moeilijk een winkel vinden. Na een hele tijd dachten we dat we in een dorpje kwamen. Het was een soort vakantiepark, waarvan er nog wel 100 precies dezelfde gebouwd zijn in Spanje. In het hele dorp was maar een huis bewoond. De supermarkt die er zat was niet open, misschien over een half jaar als de rest van het dorp ook bewoond was. Tien kilometer verderop vonden we in een ander dorp een klein winkeltje. Wat die mensen de hele dag in de winkel deden vroegen we ons wel af. Er waren amper klanten. En de winkel was tussen 12 en 5 dicht. Dus als je dan de hele dag moet werken dan ben je van 7 uur 's ochtends tot 9 uur 's avonds met je werk bezig.

Door grote steden kwamen we niet. In een klein dorpje met een fonteintje, waar we water tapten, aten we nog de appels op die we meegenomen hadden. De mannen die in het dorpje stonden keken wat we kwamen doen. In Frankrijk zagen ze vaker toeristen, hier niet. Tijdens de hele heenweg hebben we geen enkele Nederlander gezien. Niet eens een Nederlands kenteken.

's Middags begonnen we aan een klim. Ik had verwacht dat het de hele fietsvakantie redelijk vlak zou zijn, met uitzondering van de Pyreneeen en de Pico Veleta. Maar we hadden tot nu toe al veel geklommen. De beklimming van de col leek op het eerste deel van de Mont Ventoux. Het was er heel heet en we gingen met haarspeldbochten door een dennenbos. Gelukkig was het minder steil. Na twee uur klimmen waren we op de top.


Het bord van de Puerto de Navacerrada.


Bovenop de col.

Daar gingen we op een terrasje zitten om wat te drinken en een sinaasappel te eten. Elke dag hebben we minstens een sinaasappel gegeten. Spanje was natuurlijk het ideale land om Bram zijn theorie te testen dat sinaasappels steeds beter worden hoe verder je naar het zuiden gaat. Toen we weer verder wilden fietsen kwam er een loslopende stier aan. Ik ging een foto maken. Bram die ging zijn fietsjack aantrekken. Het was goed dat de stier niet keek, want Bram zijn fietsjack was fel rood en hij zwierde hem door de lucht om hem aan te trekken.


De stier.

In de afdaling wees de gps ons een zijweg in. Die weg leek ons een stuk korter, dus kozen we die. Na een stuk afdalen over de asfaltweg kwamen we op een pad van losse stenen waar je bijna niet meer op je fiets kon blijven zitten. Terug gaan ging ook niet, dan moesten we een half uur klimmen. Dan maar doorrijden. Een hele tijd was de weg zo slecht dat klimmen net zo snel was geweest als afdalen. Op zich was het wel leuk voor een stukje, maar je wilt geen kapotte fiets als je in de middle of nowhere in Spanje zit en nog 2000 kilometer moet fietsen. Een stuk verderop kwamen we gelukkig op een goede gravelweg uit. Die konden we terug volgen naar de verharde weg.

Na de afdaling van de col gingen we al vroeg op een camping staan. We hadden al twee keer gewildkampeerd, en de komende tijd zouden we ook geen camping meer tegen komen. Bij de ingang van de camping moest je een nummertje trekken, afhankelijk of je met de camper kwam, een tent wou of een huisje. Er waren zes balies. Dit was de grootste camping waar we ooit geweest waren. Hij zou dan ook wel duur zijn. De man achter de balie was een van de weinige Spanjaarden die Engels kon. Toen de man vroeg hoeveel tenten we hadden had ik gezegd dat we er een hadden. Toen keek hij wel raar. Achteraf was dat niet zo slim, want we zouden wel problemen krijgen als ze er achter kwamen dat we er twee hadden. Als je een bivakzak een tent noemt dan. Na het afrekenen reden we de camping op. Daar stond iemand te controleren wie binnen mocht. Hij zei iets in het Spaans. Dat begrepen we niet. Toen vroeg hij of we Engels spraken. Bram zei: 'ja', en toen keek die man van 'ow shit dat kan ik niet'. Uiteindelijk bleek dat je je betalingsbewijs moest laten zien. Hij maakte ook nog duidelijk dat je dat altijd op zak moest hebben als je er af wou.

We reden een kilometer over de camping, en bij afslag nummer tien mochten we de tent opzetten. In de schaduw onder een boom zochten we een plekje.


De kaart van de camping, hij had ongeveer 1000 plaatsen.


Op de camping.

Daarna gingen we boodschappen doen bij de supermarkt van de camping. Eerst nog naar een ander winkeltje, waar ze schuim-matjes verkochten. Dat was wel fijn, want mijn self-inflatable matje liep elke nacht langzaam leeg. De supermarkt van de camping was letterlijk twee keer zo groot dan de grootste supermarkt die we tot nu toe in Spanje gezien hadden.

Na het eten gingen we nog "uit eten" in het restaurant bij de camping. Er was nog niemand aan het eten want die Spanjaarden eten pas veel te laat. Ik had friet met een halve kip en Bram friet met schnitzel. Deze keer kon ik eindelijk ook "Dos cervezas, por favor" zeggen. Dat had ik ooit in een liedje gehoord. Meer kon ik me niet herinneren. Toen ik op Youtube ging zoeken naar dat liedje toen ik thuis was bleek dat het misschien wel op de cd van Wim en Kees had gestaan. Nadat we eindelijk een keer echt eten op hadden konden we gaan slapen.

Dagafstand : 138.22 km


De route van dag 5.