Fietsvakantie verhaal Spanje

Dag 7 - Zondag

Het was al warm toen we om half 9 op de fiets stapten. De avond er voor hadden we veel grote mieren gezien waar we gekampeerd hadden. 's Ochtends zag Bram ook een platgereden schorpioen op de weg liggen. Gelukkig hebben we die de dag er voor geen gezien. Er lagen ook veel aangereden slangen op de weg, de volgende keer dus goed oppassen als je door de struiken loopt.

Naast dat het zondag was kwamen we de eerste dertig kilometer door maar twee dorpjes. Eten hadden we genoeg tot 's middags, water niet. In het tweede dorpje zag ik een tuinslag liggen waar water uit kwam. De tuinslang kwam uit een garage. Binnen hoorden we mensen praten. We spraken nog steeds geen woord Spaans, en hadden geen zin om om water te gaan vragen. Na een tijdje wachten of er iemand naar buiten zou komen hebben we snel water in onze bidons laten lopen. Toen we klaar waren en snel wegfietsten liep er een oud mannetje achter ons langs die dat allemaal gezien had. Honderd meter verderop fietsten we het dorpje uit en vonden een fonteintje waar je normaal drinkwater kon tappen.

Al vroeg begonnen we aan een beklimming. We passeerden ook een bord waarop stond dat we in de regio "Extremadura" waren. Het zou die dag ook extreem heet worden. Net als de andere beklimmingen in Spanje was deze ook niet steil. Het was niet ver klimmen tot de top van de Puerto de San Vincente.


Op de top van de Puerto de San Vincente.





Extremadura.

Na deze col begon een afdaling over een slingerende weg. We wisten dat later nog een col zou komen. Hoe verder we hier afdaalden, hoe verder we een uur later weer omhoog moesten klimmen. Helaas daalden we ver af. Helemaal beneden staken we een riviertje over. Daarna begon de weg weer te slingeren, deze keer omhoog. In de hele omgeving waren wandelpaden van gravel aangelegd. We kwamen vlak in de buurt van de stad Guadalupe. Niet dichtbij genoeg om eten of drinken te kunnen kopen. Om 12 uur 's middags was het al weer super heet. We waren nog niet boven op de col. Onder een boom gingen we even in de schaduw zitten om te eten.

De Puerto de Puertollano was voorlopig het hoogste punt op de route, hierna zou het meer dan 100 kilometer vrij vlak zijn.


Puerto de Puertollano

Na de col kwam eerst een stukje afdaling.


Uitzicht tijdens de afdaling.


Het had hier al tijden niet meer geregend.

Na het steilste stuk van de afdaling reden we 40 kilometer lang licht bergaf over een kaarsrechte weg door de rijstvelden. Rijst in Spanje klinkt misschien raar, maar het is natuurlijk wel het belangrijkste ingredient van paella. De vorige dag had ik al last gekregen van mijn rechter been. De pees aan de linker kant achter mijn knie deed zeer bij het klimmen. Het leek er op dat door het schuren langs een andere pees hij geiriteerd was, misschien wel ontstoken. Tijdens het fietsen van de 40 kilometer lange weg kreeg ik steeds meer last van mijn been. Wat een gemakkelijk stuk racen over een vlakke weg moest zijn werd twee uur lang vooruit strompelen. Uiteindelijk kwamen we in een dorpje met een bankje waar we gingen eten. Nog een dag zo verder fietsen zou niet gaan. En als het zo zeer bleef doen dan zouden we niet eens op tijd terug bij de bus zijn met de fiets. Toevallig, of juist niet, had Bram precies op de zelfde plek pijn aan zijn been. We besloten allebei om ons zadel een stuk lager te zetten.

In een cafeetje gingen we een ijsje eten. Het was zondag en we hadden nog weinig water, dus later vroegen we of ze onze 1,5 liter fles met water wilden vullen. Na de pauze reden we weer verder door de hitte. De pijn in Bram zijn knie was een stuk minder. Bij mij was het nu iets minder, zodat ik in ieder geval door kon fietsen.

Dit stuk van Spanje was een stuk groener omdat er veel rivieren liepen. We kwamen langs een groot meer waar ook een stuwdam in zat. Bij een riviertje gingen we 's middags nog wat eten. Bram zag bij een vijvertje een wilde schildpad zwemmen. Er groeide hier in de buurt ook al cactussen en palmbomen, dus we zaten echt in de tropische hitte. Na het eten waren we uit het rivierengebied. Opeens zagen we het: vaak hadden we het al in tekenfilms gezien, of wild-west films, maar nu zagen we voor de eerste keer in ons leven: een echt waai-over-de-weg bosje.


Het waai-over-de-weg bosje.


Uitzichten over de uitgedroogde vlaktes zonder teken van leven.




Na het bosje volgde die dag nog veel hete kilometers met wind tegen. We fietsen vooral door het niks met veel droog gras, lange rechte wegen en stierenfokkerijen. In Campanario gingen we eerst pinnen. Daarna op zoek naar een winkel die misschien wel op zondag open was. In het centrum was alles gesloten. In een cafeetje gingen we dan eerst maar wat cola drinken. Er zat verder niemand binnen. De eigenaar zat in een stoel naar de Spaanse Discovery Channel te kijken. We bestelden twee koude cola, daarna nog twee. Toen vroeg ik of er ergens eten te koop was in het dorp "mangara?". Maar ik wist alleen het woord voor "eten", en niet "waar kan ik eten kopen?". Dus de cafeebaas zei "non etiender", of zoiets. Hij begreep mij niet, maar ik begreep wel dat hij zei "ik begrijp het niet". Alweer wat Spaans geleerd. Water bijvullen snapte hij wel toen we het eerst vroegen en later met onze lege flessen terug kwamen.

In het stadje vonden we een kraampje waar je snoep kon kopen. Dan maar vier zakjes met nootjes gekocht als noodvoorraad zodat we niet helemaal zouden verhongeren. Bij het uitfietsen van het stadje kwamen we een benzinestation tegen. Hij was open en gelukkig hadden ze er ook eten. We kochten drie broden, een pot honing en wat flessen water. De jongen die achter de balie stond keek wel raar dat wij zo'n enorme voorraad eten in kwamen slaan. In totaal hadden we voor 14 euro aan eten.

Na het tankstation werd de weg weer wat heuvelachtiger. Over lange glooiende heuvels die elke keer een paar kilometer lang waren. We kwamen ook door hele arme dorpjes met vervallen huizen. Het leek er net het wilde westen. Op het einde van de dag kwamen we in een landbouwgebied waar elke kilometer een boerderij stond. Niet echt ideaal om te wildkamperen, maar we vonden toch een plekje in een olijfgaarden. Aan de andere kant van de weg was de boerderij. De honden die daar zaten bleven maar blaffen, misschien omdat ze ons hoorden of, meer waarschijnlijk, roken.

Het was na achten nog minstens 30 graden. Deze dag hadden we ongeveer 5 liter water op per persoon. Gelukkig was tegen het einde van de avond de pijn in mijn knie wel minder geworden.


Uitzicht vanaf de wildkampeerplek.








De kampeerplaats.


Bram zijn bivakzak en mijn tent.

De grond tussen de bomen was kei hard en zat vol met losse stenen. We hebben deze nacht dus weinig geslapen.

Dagafstand : 168.55 km


De route van dag 7.